
“De gemeenschap: het mooiste geschenk dat de Heilige Geest aan de Kerk heeft geschonken”
De homilie van kardinaal Kevin Joseph Farrell, prefect van het Dicasterie voor Leken, Gezin en Leven, ter gelegenheid van de geestelijke oefeningen van de Fraterniteit van Gemeenschap en Bevrijding. Rimini, 18 april 2026(Zaterdag, 2e week van Pasen: Hand. 6:1-7; Ps. 32; Joh. 6:16-21)
Dierbare broeders en zusters,
de Bijbelteksten die we zojuist hebben gehoord weerspiegelen de sfeer van licht en vreugde die de Kerk tijdens de paastijd beleeft.
De tekst uit de Handelingen van de Apostelen vertelt ons over de grote groei van de christelijke gemeenschap in Jeruzalem, een groei die mede mogelijk wordt gemaakt door de gemeenschap en de eendracht die daarin heersen. Om de gemeenschap te behouden is het noodzakelijk om verstandige en voorzichtige keuzes te maken. Dat is wat er gebeurt wanneer de Griekssprekende bekeerlingen vragen dat hun weduwen niet worden verwaarloosd. Het gaat waarschijnlijk om Joden die niet in Jeruzalem woonden, maar in gebieden buiten Palestina, met een synagogedienst in het Grieks, anders dan die van de plaatselijke Joden, die Aramees spraken. Zij worden door de gemeenschap echter niet beschouwd als gelovigen van “tweede rang”. De apostelen luisteren naar hun verzoek en stellen voor dat zij zelf de geschikte personen aanwijzen, waarbij zij als criterium bepaalde menselijke kwaliteiten – een ‘goede reputatie’ – en spirituele kwaliteiten – ‘vervuld zijn van de Geest en van wijsheid’ – aangeven. Dit aspect is interessant: de Twaalf leggen niet van bovenaf personen van hun keuze op, maar vragen dat de gemeenschap zelf namen voorstelt. Zo worden zeven mannen gekozen – vanaf dat moment “diakens” genoemd – allemaal met Griekse namen, kennelijk vanwege hun vermogen om contact te leggen met het Grieks sprekende en Grieks culturele deel van de Kerk. Vervolgens worden ze voorgesteld aan de Apostelen die hen door handoplegging “wijden” voor de nieuwe bediening. Hier is sprake van een synergie tussen de keuze ‘van onderaf’, door de gemeenschap, en de bevestiging ‘van bovenaf’, door degenen die gezag hebben.
Het is een verhelderende episode: ze herinnert ons in de eerste plaats aan het belang om de behoeften en moeilijkheden van de verschillende groepen binnen de christelijke gemeenschap niet te veronachtzamen. Niemand mag worden genegeerd of aan de kant worden gezet. Als er niet naar de ongemakken wordt geluisterd kunnen ze op de lange termijn een bron van onbehagen en zelfs van afscheiding van de gemeenschap worden. Dit luisteren past echter in het grotere verlangen om de gemeenschap binnen de Kerk te bewaren.
Gemeenschap in Christus staat boven elk cultureel verschil, boven elke spirituele gevoeligheid, boven elke subjectieve manier om de christelijke ervaring te begrijpen
De gemeenschap vindt haar oorsprong in de relatie die ieder met God heeft opgebouwd en die ook de broeders onderling verenigt. Don Giussani drukte dit op eenvoudige wijze uit door te zeggen: “De geest van gemeenschap [in de Kerk] is dat je de ander herkent omdat God jou heeft aangeraakt zoals Hij mij heeft aangeraakt, en dat jij Hem hebt herkend zoals ik, en dat je jezelf samen met mij herkent” [1]. Ik herken dus in de ander diezelfde fundamentele ervaring van God die mijn leven heeft getekend, die een bijzondere spirituele harmonie tussen ons creëert, en die ons nu tot broeders maakt.
Deze gemeenschap is het mooiste geschenk dat de Heilige Geest aan de Kerk van Christus heeft gegeven, en daarom zorgen de apostelen ervoor dat ze met liefde en wijsheid te werk gaan om deze te bewaren. Er kunnen verschillende culturele componenten, verschillende gevoeligheden, verschillende ‘zielen’ in de Kerk zijn – zoals destijds de christenen van Griekse cultuur en de christenen van Joodse cultuur – maar de gemeenschap in Christus staat boven elk cultureel verschil, boven elke spirituele gevoeligheid, boven elke subjectieve manier om de christelijke ervaring te begrijpen. De verschillende gevoeligheden, de verschillende denkwijzen mogen nooit aanleiding worden om eisen, wrok en machtsstrijd te bevorderen, maar moeten worden teruggebracht tot die eenheid in verscheidenheid die kenmerkend is voor de katholieke Kerk, in al haar dimensies.
De episode herinnert ons ook aan het belang van het kiezen van de juiste personen, die van echt nut zijn en de gemeenschap ondersteunen, waarbij duidelijke criteria voor de keuze en de vereiste kwaliteiten worden aangegeven. We zien ook dat het belangrijkste doel dat alle beslissingen van de vroege Kerk heeft bezield de missie was: de keuze van de zeven diakens maakt het mogelijk om de dubbele missie van verkondiging en dienstbaarheid levend te houden, namelijk de prediking van het Woord door de Twaalf en de hulp aan de behoeftigen door de diakens. Het is altijd de missie die de keuzes stuurt en ze wijs en vruchtbaar maakt, niet andere criteria of privébelangen, van groepen of van individuele personen.
Dus het luisteren naar iedereen, het verlangen om de gemeenschap te bewaren, de keuze van geschikte personen voor de verschillende diensten, de prioritaire gerichtheid op de missie. Dit zijn de kenmerken die duidelijk naar voren komen in de vroege Kerk en die ook voor ons een inspiratiebron en een voorbeeld blijven.
De erfzonde heeft in ons bijna een ‘wantrouwen’ jegens God achtergelaten: ‘Je kunt Hem niet volledig vertrouwen!’, lijkt een stem in ons te zeggen, zelfs wanneer Hij zich in beproevingen als onze bevrijder openbaart
Het evangelie beschrijft de situatie van de discipelen aan het einde van een drukke dag van zending samen met de Meester, terwijl ze proberen terug te keren naar hun huizen in Kafarnaüm. Het is inmiddels donker en ze worden verrast door de woelige zee en de harde wind. In deze angstige situatie zien ze Jezus over het water naar hen toe komen en worden ze door angst bevangen. Het lijkt er bijna op dat de ware reden voor hun angst niet zozeer de woelige zee is, maar die onverwachte en verontrustende manier waarop Jezus zich aan hen openbaart. In Hem verschijnt de machtige manifestatie van God zelf, die God die de Schrift beschrijft als Degene die ‘alleen de hemelen uitspreidt en over de golven van de zee loopt’, zoals het boek Job zegt (Job 9:8). De Psalmen beschrijven God vaak als heerser over de zee (vgl. Ps. 107:23-25; Ps. 93:4), die in de Bijbel de kracht van de chaos en het kwaad in de wereld vertegenwoordigt. De God die ‘heerser over de zee’ is, is nu aanwezig in Jezus: in Hem verschijnt de God van de uittocht die voor zijn volk een weg van redding door de zee heeft geopend. En dit wekt angst op.
Als we er goed over nadenken is dit wat er ook vaak met ons gebeurt. De moeilijke omstandigheden waarin we ons bevinden verontrusten ons niet zelden: ziekte, economische moeilijkheden, gezinsproblemen, misverstanden in relaties. Toch, wanneer God zich aan ons voordoet als Degene die alle stormen in ons leven kan stillen, zijn we, paradoxaal genoeg, in plaats van getroost te worden, bang. Ons hart is de vertrouwdheid met God kwijtgeraakt en het onschuldige vertrouwen dat we vóór de zonde in Hem hadden. De erfzonde heeft in ons bijna een ‘wantrouwen’ jegens God achtergelaten: ‘Je kunt Hem niet volledig vertrouwen!’, lijkt een stem in ons te zeggen, zelfs wanneer Hij zich in beproevingen als onze bevrijder openbaart.
Toch toont Jezus zich in deze situatie vol barmhartigheid. Hij openbaart zich aan de discipelen met de goddelijke naam bij uitstek: ‘Ik ben’ (vgl. Ex. 3:15). Dat betekent: ‘Ik ben werkelijk God!’ Alles ligt in mijn handen! We kunnen op deze scène een passage van de profeet Jesaja toepassen die zegt: ‘Vrees niet, want Ik ben met u; wees niet bevreesd, want Ik ben uw God. Ik sterk u en help u, en ondersteun u met de rechterhand van Mijn gerechtigheid’ (Jes. 41:10). Dit is de kracht die Jezus de apostelen wil bijbrengen en dit is de zekerheid die Hij ons hart wil schenken.
De Verrezen Christus komt dicht bij ons allen en zegt ons: “Ik ben!”. En zijn aanwezigheid verandert alles!
De episode eindigt op een bijna abrupte manier: de apostelen willen Jezus in de boot halen om Hem bij zich te hebben, maar het lijkt erop dat dit niet nodig is, want de boot bereikt bijna onmiddellijk de oever.
Ook wij zouden God graag in elke plooi van ons bestaan willen laten binnentreden, opdat de misvormingen, de onvolledigheden en de wonden die we hebben, genezen mogen worden. We zouden Hem graag ‘in de boot’ hebben, dat wil zeggen, we zouden graag al onze problemen opgelost zien voordat we verdergaan. Maar dat is niet nodig. Het volstaat dat God zich ‘op afstand’ openbaart, dat Hij Zijn gezaghebbende woord spreekt: ‘Ik ben’, dat wil zeggen: ‘Ik ben bij je!’. En dat is voldoende om de tocht te hervatten en snel het doel te bereiken.
Dierbaren, dit is de zekerheid die de paastijd ons geeft. De Verrezen Christus komt dicht bij ons allen en zegt ons: “Ik ben!”. En zijn aanwezigheid verandert alles! Ook al is Christus niet “in de boot gekomen”, ook al lijkt het alsof Hij een vreemde is gebleven, ook al zijn er nog zoveel gebieden van ons bestaan die duister zijn gebleven en zoveel onopgeloste problemen, met Hem verandert alles. Met Hem bereiken we de oever en het doel van het bestaan. Het is de zekerheid van de paasboodschap, die ons moed geeft en die jullie allemaal uitgenodigd zijn te aanvaarden, individueel en als beweging. De zekerheid van de aanwezigheid van de Verrezen Christus – die wij in de Kerk beleven – helpt ons elke nacht van duisternis, elke stormachtige zee, elke tegenwind te overwinnen, ook die welke we soms als christelijke gemeenschap ervaren.
Ik moedig jullie dan ook aan om altijd je blik op Christus te richten, op Hem te vertrouwen, Hem aan te roepen in tijden van beproeving en stevig verankerd te blijven in de boot van de Kerk, die Hij altijd naar de verlossing leidt.
Amen.
[1] L. Giussani, Un volto nella storia. Il compito della Chiesa nel mondo (1969-1970) [Een gezicht in de geschiedenis. De taak van de Kerk in de wereld (1969-1970)], Rizzoli, Milano 2025, p. 57.