
"In onze eenheid kunnen wij Zijn aanwezigheid ervaren. Er is geen andere weg"
Een preek van don Giussani, uit het boek L’opera del movimento. La Fraternità di Comunione e Liberazione [Het werk van de beweging. De Fraterniteit van Gemeenschap en Bevrijding]Filippus’ vraag is ook de onze; ze getuigt van een soortgelijke gemoedstoestand, van een identieke worsteling: ‘Heer, toon ons de Vader’ (Joh 14,8). Het is als het ware een behoefte aan iets anders dan het instrument dat de Vader geschapen had om zichzelf mee te delen. Wat was het instrument dat de Vader geschapen had om zichzelf mee te delen? Christus! Het is als de behoefte aan iets anders, het beeld, de hypothese, de pretentie van iets anders, om te kunnen geloven: ‘Als er iets anders zou zijn, dan zou het eindelijk gemakkelijk zijn om te begrijpen, dat wil zeggen te geloven’. En Jezus’ antwoord is identiek aan dat wat Hij ons geeft: ‘Ik ben al zo lang bij jullie en je hebt Mij nog niet leren kennen? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh 14,9). Het is in Zijn teken, in het teken dat Hij geconstrueerd heeft, dat Hij gecreëerd heeft als plaats van Zijn werkelijke aanwezigheid, de Kerk; het is in Zijn teken dat wij Christus kunnen begrijpen, dat wij Christus kunnen leren kennen en begrijpen en geloven dat Hij is opgestaan. De gebeurtenis van Zijn definitieve overwinning – definitief en daarom voortdurend, op elk moment – de dageraad van het einde van de wereld, Zijn verrijzenis, Zijn overwinning, kunnen wij zien in Zijn teken.
Mijn broeders en zusters, wie ons ziet, wie het mysterie van onze eenheid ziet, wie het mysterie van onze communio ziet, heeft Christus gezien, ziet Christus, ervaart de verrezen Christus, Christus die overwint, Zijn oproepende woord, Zijn aanwezigheid die verandert, uitdaagt en vernieuwt, Zijn gezelschap dat vervult, dat de zin van alle dingen ontsluit en dat de ervaring van vervulling door vrede in gang zet en tot leven brengt.
Het is in ons gezelschap, in onze eenheid, in onze communio, in deze aanwezigheid van onze broeders en zusters dat wij Zijn aanwezigheid kunnen ervaren. Er is geen andere weg, want een andere weg zou slechts een uitdrukking hiervan zijn of hiernaar moeten verwijzen. Als deze weg niet zou worden erkend en geaccepteerd, als dit instrument niet zou worden erkend en aanvaard, dan zou zelfs een uitzonderlijk moment, zelfs een absoluut buitengewone modaliteit, na de eerste schok, in ons bewustzijn onmiddellijk vervagen tot een zodanige vaagheid dat het ons gemakkelijk, heel gemakkelijk zou vallen de authenticiteit ervan te ontkennen: ‘Ik heb gedroomd. Wie weet wat dat was. Het was een hersenschim.”
Er is een instrument, een middel, een plaats om het Mysterie te leren kennen dat alle dingen maakt, de Vader: Christus. En er is een plaats om Christus te leren kennen, deze gestorven en verrezen Christus die blijft gebeuren, die in de wereld gebeurt; en de geroepenen, de uitverkorenen (‘Zalig zijn jullie die geroepen zijn om het mysterie van het koninkrijk Gods te begrijpen’; vgl. Mt 5,3; Lc 6,20) merken het op, begrijpen het. Er is een plek, een instrument, waar deze zegevierende Christus herkenbaar is, waar Hij waargenomen en ervaren wordt als gezelschap dat het leven consistentie geeft, als aanwezigheid die voortdurende wortel is, onuitputtelijke bron – zo zei Hij tegen de Samaritaanse vrouw – van hoop: onze communio, ons roepingsgezelschap, mensen die samen geroepen zijn, door niets anders dan Zijn Geest. Hoe broos en bijna onbewust deze motivatie in het begin ook geweest moge zijn, ze is het enige motief waarom we elkaar kennen – het enige! – er is geen ander.
The Work of the Movement. The Fraternity of Communion and Liberation
Luigi Giussani
Dit is het instrument om de verrezen Christus te leren kennen, de gebeurtenis die de zin van alles in zich meevoert, draagt, en die net zo aanwezig is als mijn broers en zussen en mijn moeder. Want alles wat wij zeggen en zijn als verwijzing, als teken van Hem, zeggen wij niet uit onszelf: ‘De woorden die ik tot u spreek, spreek ik niet uit mijzelf: de Vader, die in mij is, verricht in Mij zijn werken’ (Joh 14,10). En wie van ons had de dingen kunnen bedenken, zich de dingen kunnen voorstellen die we zeggen, die we – misschien vluchtig, terloops – horen? En wat er onder ons gebeurt – denk alleen maar aan de brieven die ik vandaag heb voorgelezen – de voorbeelden waar ons gezelschap van overvloeit, ontgaan ons niet als we aandachtig zijn. Het zijn niet de meest opzienbarende; maar de opzienbarende, de schokkende gevallen, hoe betekenisvol, hoe onweerstaanbaar zijn die! Nee, niet onweerstaanbaar: we kunnen ze censureren en meteen weer uitwissen, zodra we ze gehoord hebben.
‘De Vader, die in Mij is, verricht zijn werken’: Christus, die onder ons is, verricht Zijn werk. Laten we dus geloven! Wij zijn in het mysterie van Zijn persoon; het mysterie van Zijn persoon is in ons. Laten we het tenminste geloven omwille van de werken zelf, omwille van wat onder ons ontstaat en nergens anders te vinden is, omdat het ondenkbaar is.
Maar hoe indrukwekkend is het om verder te lezen en te horen: ‘Wie in mij gelooft, zal de werken doen die ik doe, en hij zal nog grotere doen, omdat ik naar de Vader ga, want de tijd is vervuld’ (vgl. Joh 14,12). De tijd is vervuld. De tijd komt tot vervulling, dat wil zeggen de verwachting of de maat van Zijn verschijnen, het gespannen uitzien naar Zijn uiteindelijke manifestatie.
Wij, die gegrepen zijn door het geloof in Hem, verrichten dus dezelfde werken als Hij. Want het wonder – dat is het grote woord, niet voor niets veracht door de wereldse rede, niet voor niets uitgewist door de wereldse wijsheid – is voor de mens onmogelijk; het wonder is alleen mogelijk voor God. En het wonder is niet het rechtzetten van het been: in drie maanden in plaats van in een oogwenk kan de mens zelfs een krom been genezen en zelfs het gezichtsvermogen herstellen, met speciale maatregelen (niet met dat woord dat als een rilling door het vlees van de mens gaat en hem onmiddellijk in staat stelt te zien); het wonder is niet de berg die zich van hier naar ginds verplaatst: het wonder is de andere mens, de nieuwe mens! Want Hij verplaatste bergen, gaf blinden het zicht terug, wekte doden op, opdat de mens, door in Hem te geloven, zou veranderen. Het wonder is de verandering van de mens: elke andere omwenteling zou de droefheid van de dingen en van het leven ongemoeid laten.
Het wonder is de verandering van de mens. Wij zullen de werken kunnen verrichten die Hij heeft verricht; sterker nog, wij zullen er ‘grotere’ kunnen doen, want momenten of ervaringen zoals wij die nu meemaken, zoals deze nu, waren toen, in Zijn tijd, onmogelijk, ondenkbaar. Wat nu bijna normaal is geworden in het leven van de beweging of, in bredere zin, in het leven van de Kerk, was tweeduizend jaar geleden ondenkbaar. En ‘grotere’ omdat het groter is – zo heeft Hij zelf gezegd –te geloven zonder te zien; hij die, zonder gezien te hebben, geloofd zal hebben, is zaliger (‘Jezus sprak tot hem: ‘Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge; zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben!’’; Joh 20,29).
Laten we dan met een aandachtig oog en een standvastig hart de uitdaging van het grote alternatief accepteren – dit zijn de enige termen van het alternatief: de afwijzing door de Joden, de Farizeeën, de leiders (afwijzing, zo merken de Handelingen van de Apostelen op, uit afgunst – vgl. Hand 13,45 – ook al was de reden die zij zichzelf gaven en die zij aanvoerden ideologisch, principieel, bijbels, een reden van trouw aan het woord van God, aan het volk) ofwel de erkenning van Zijn aanwezigheid. Het is de uitdaging tussen enerzijds de keuze voor een eigen interpretatie, uiteindelijk voor een eigen gevoel, en anderzijds de gehoorzaamheid aan het teken, wat het grootste wonder is, omdat het echt is alsof je je losrukt: soms kunnen we dat gemakkelijk merken, maar vaak niet, omdat we afgeleid zijn en geen keuze maken in de uitdaging; we staan hier of daar als kudde, op de manier van een kudde. Aan de andere kant is het dus deze gehoorzaamheid aan het teken, die een stem heeft en een kenmerkende uitdrukking: de gehoorzaamheid aan het teken heeft als stem of als kenmerkende uitdrukking de roep tot Christus, het gebed.
‘Wat jullie ook zullen vragen in mijn naam, ik zal het doen, opdat de Vader verheerlijkt wordt in de Zoon’ (Joh 14,13). Wat wij ook in Zijn naam aan Hem zullen vragen, zal gebeuren. In Zijn naam, dat wil zeggen: alles wat wij zullen vragen volgens Zijn plan. Als wij vragen om het geloof en als wij vragen dat Christus Zijn overwinning toont, openbaart, die Hij al heeft bewerkstelligd en meegedeeld aan ons vlees in de doop, dan zal die zich openbaren: ons geloof zal stralend, communicatief, creatief en poëtisch worden, en Hij zal zich in ons leven voor ieders ogen openbaren. Dit is de zekerheid waarnaar de christen streeft, zoals de heilige Paulus zei: spe erectus (vgl. Rom 12,12), rechtop in de hoop, zoals Abraham wandelde, hopend tegen alle hoop in: rechtop in de hoop, tegen de evidentie van onze dodelijke kwetsbaarheid in.
Geestelijke oefeningen van de Fraterniteit van CL. Rimini, 8 mei 1982