
Leo XIV. "Goed bestuur: een delicate en profetische taak"
Toespraak van de paus tot de verantwoordelijken van verenigingen van gelovigen, kerkelijke bewegingen en nieuwe gemeenschappen over de begeleiding en coördinatie van het gemeenschapslevenIn de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest.
Vrede zij met u!
Dierbare broeders en zusters, goedemorgen allemaal!
Het is mij een genoegen u vanochtend te ontmoeten, om enkele woorden en enkele overwegingen met u te delen, maar bovenal om na te denken over het belang van de charismata van de Heilige Geest, vooral in deze dagen voorafgaand aan Pinksteren.
Ik ben verheugd u ook dit jaar weer te mogen verwelkomen, aan het begin van uw samenkomst. U bekleedt verantwoordelijke functies op internationaal niveau binnen vele verschillende lekenorganisaties, en u bent door het Dicasterie voor de Leken, het Gezin en het Leven uitgenodigd om de banden van gemeenschap onder u te versterken en samen na te denken over het thema van het bestuur van een kerkelijke gemeenschap.
In elke sociale entiteit bestaat er behoefte aan geschikte personen en structuren om het gemeenschapsleven te leiden en te coördineren. In wezen verwijst de term “besturen” naar de handeling van “het roer vasthouden”, van “een schip besturen”. Het gaat er dus om een zekere richting te geven, zodat de gemeenschap een plaats van groei kan zijn voor de mensen die ertoe behoren. Zo worden ook in de Kerk sommigen aangewezen om te besturen.
In de Kerk vloeit bestuur echter niet louter voort uit de noodzaak om de religieuze behoeften van haar leden te coördineren. De Kerk is door Christus gesticht als een blijvend teken van Zijn universele heilswil en is de door God gewilde plaats waar alle mensen, in elk tijdperk, de vruchten van de Verlossing mogen ontvangen en het nieuwe leven mogen ervaren dat Christus ons heeft geschonken. In die zin is de aard van de Kerk sacramenteel: zij heeft zeker een uiterlijke en institutionele dimensie met haar structuren, en is tegelijkertijd een effectief teken van gemeenschap waardoor wij deelnemen aan het leven van de Drie-eenheid zelf.
Deze onderscheidende kenmerken van de Kerk zijn noodzakelijkerwijs ook aanwezig in haar bestuur, dat nooit louter technisch is; integendeel, het heeft een heilsgerichte oriëntatie in zich, dat wil zeggen dat het gericht moet zijn op het geestelijk welzijn van de gelovigen. Sint-Paulus rekent het zelfs tot de charismata: er zijn “wonderwerkers”, schrijft hij, “verzorgers, helpers, bestuurders, sprekers in allerlei talen” (1 Kor 12, 28).
Met deze uitgangspunten in gedachten richten we nu onze aandacht op verenigingen van gelovigen en kerkelijke bewegingen. Hier wordt het bestuur over het algemeen toevertrouwd aan leken en drukt het de deelname uit aan het koninklijk munus van Christus dat in het doopsel is ontvangen. Het staat ten dienste van andere gelovigen en van het leven van de vereniging, en is de vrucht van vrije verkiezingen die moeten worden opgevat als een uitdrukking van gemeenschappelijk onderscheidingsvermogen: waarbij ieders stem vrijelijk tot uiting kan komen.
Als, zoals we hebben gezegd, het bestuur een bijzondere gave van de Heilige Geest is, die de leden van een gemeenschap herkennen als aanwezig in sommige van hun broeders in het geloof, vloeien daar ten minste drie gevolgen uit voort. Het eerste is dat het ten dienste moet staan van allen (cf. 1 Kor 12,7), dat wil zeggen, het welzijn van de gemeenschap, van de vereniging en van de hele Kerk bevorderen. Leiderschap mag daarom nooit worden misbruikt voor persoonlijke belangen of wereldse vormen van prestige en macht. Het tweede gevolg is dat het nooit van bovenaf kan worden opgelegd, maar een gave moet zijn die binnen de gemeenschap herkenbaar is en vrijwillig wordt aanvaard; vandaar het belang van vrije verkiezingen om het in werking te laten treden. Het derde gevolg is dat, net als elk charisma, ook het bestuur van een vereniging onderworpen is aan het onderscheidingsvermogen van de herders, die toezien op de authenticiteit en het ordelijke gebruik van charisma’s (cf. Lumen gentium, 12; Iuvenescit Ecclesia, 9 en 17).
Bepaalde kenmerken moeten altijd aanwezig zijn in het bestuur: wederzijds luisteren, gedeelde verantwoordelijkheid, transparantie, broederlijke nabijheid en gemeenschappelijk onderscheidingsvermogen (cf. Toespraak tot de deelnemers aan het Algemeen Kapittel van de Legionairs van Christus, 19 februari 2026). Daarnaast wil ik eraan herinneren dat “goed bestuur, in plaats van alles op zichzelf te richten, subsidiariteit en de verantwoordelijke participatie van alle leden van de gemeenschap bevordert” (ibid.). Dit zijn eenvoudige richtlijnen, maar wel richtlijnen die bij de uitoefening van gezag altijd in gedachten moeten worden gehouden.
Beste vrienden, uw verenigingen en bewegingen hebben verschillende oorsprongen en beschikken over een duidelijk afgebakende geschiedenis, identiteit en idealen. Degenen die er leiding aan geven staan dan ook voor een delicate taak: enerzijds zijn zij geroepen om de herinnering aan een levend erfgoed te bewaren en te bevorderen; anderzijds vervullen zij een ‘profetische’ rol, die inhoudt dat zij luisteren naar de huidige pastorale behoeften om te begrijpen hoe zij kunnen inspelen op de nieuwe uitdagingen en op de culturele, sociale en spirituele gevoeligheden van onze tijd. Alleen op deze manier kan men immers een christen, een discipel en een missionaris zijn in de huidige samenleving en Kerk. Een deel van de profetische taak van de verantwoordelijken bestaat er dan ook in de openheid van de vereniging of beweging – en van elk van haar leden – voor historische situaties te bevorderen. Het lidmaatschap is namelijk authentiek en vruchtbaar wanneer het niet beperkt blijft tot deelname aan activiteiten binnen de groep, maar de tekenen des tijds interpreteert en zich naar buiten richt, waarbij iedereen, de cultuur van de tijd en nog niet verkende zendingsgebieden worden aangesproken.
Een ander element van vitaal belang is gemeenschap. Van degenen die leiding geven wordt een bijzondere gevoeligheid verwacht voor het behoud, de groei en de versterking van de gemeenschap. Dit geldt zowel voor het leven binnen de vereniging of beweging als voor de gemeenschap met andere kerkelijke realiteiten en met de Kerk als geheel. Degenen die een leidende rol in de Kerk vervullen moeten leren luisteren naar en openstaan voor verschillende meningen, verschillende culturele en spirituele oriëntaties en verschillende persoonlijke temperamenten, waarbij zij er altijd naar streven het grotere goed van de gemeenschap te bewaren, vooral bij noodzakelijke en vaak moeilijke beslissingen. Dit vereist een getuigenis van zachtmoedigheid, onthechting en onbaatzuchtige liefde voor de broeders en zusters en voor de gemeenschap, dat als voorbeeld dient voor iedereen.
Hier wil ik het belang benadrukken van deze dimensie van gemeenschap met de Kerk als geheel. Soms zien we groepen die zich afsluiten en denken dat hun specifieke realiteit de enige is, of dat zij de Kerk zijn, maar de Kerk zijn wij allemaal, zij is veel meer! En dus moeten onze bewegingen er echt naar streven om in gemeenschap te leven met de hele Kerk, op diocesaan niveau. De bisschop is daarom een zeer belangrijke referentiefiguur, en als een groep zegt: “Nee, wij leven niet in gemeenschap met deze bisschop, wij willen een andere”, dan is dat onaanvaardbaar. Wij moeten trachten in gemeenschap te leven met de hele Kerk, zowel op diocesaan als op universeel niveau.
In dit licht kunnen wij de betekenis van trouw aan het stichtingscharisma beter begrijpen, dat een onmisbaar referentiepunt vormt voor het bestuur van een kerkelijke gemeenschap. Elk authentiek charisma draagt trouw en openheid naar de Kerk al in zich. Leidinggeven op een manier die trouw is aan het stichtingscharisma betekent daarom daarin de inspiratie vinden om zich open te stellen voor de weg die de Kerk in het heden bewandelt, zonder vast te roesten in de modellen – hoe positief ook – uit het verleden, maar door zich te laten uitdagen door nieuwe realiteiten en uitdagingen, in dialoog met alle andere leden van het kerkelijk lichaam.
Beste vrienden, dank u voor alles wat u bent en alles wat u doet. Verenigingen van gelovigen en kerkelijke bewegingen zijn een onschatbaar geschenk voor de Kerk. Er is een grote rijkdom onder u: zoveel goed gevormde mensen en zoveel voortreffelijke evangelisatoren; zoveel jongeren en diverse roepingen tot het priesterschap en het huwelijksleven. De verscheidenheid aan charismatische gaven, talenten en apostolaatsvormen die in de loop der jaren zijn ontwikkeld stelt u in staat aanwezig te zijn op het gebied van cultuur, kunst, het sociale leven en het werk, en overal het licht van het Evangelie te brengen. Koester al deze gaven en voed ze met Gods genade! De Kerk steunt en begeleidt u.
Ik zegen u van harte en roep voor u allen de voorspraak in van de Maagd Maria, Moeder van de Kerk.