Kardinaal Pizzaballa tijdens de viering van het Pinksterfeest (© LPJ)

Pizzaballa: “Pinksteren: het herrezen leven wordt de Kerk”

"De Verrezen Heer vraagt de discipelen niet om hun toestand te veranderen, maar Hij dringt door tot in hun wonden, niet tot hun sterke punten; Hij verblijft temidden van hun angst, niet van hun geloof; Hij toont hun Zijn wonden, niet Zijn glorie."
Pierbattista Pizzaballa *

De evangelietekst die we op dit hoogfeest van Pinksteren horen (Joh. 20:19–23) voert ons terug naar de avond van Paaszondag, en dat is het eerste belangrijke punt waar we even bij stil moeten staan.

Om Pinksteren te “begrijpen”, moeten we teruggaan naar Pasen, want de Geest is het leven zelf van de Verrezene, geschonken aan de discipelen.
De evangelist Johannes wil het duidelijk maken: de Geest is geen toevoeging na de Verrijzenis. De Geest is de essentie zelf van het verrijzenisleven. De Heer kan niet anders dan Hem geven, want Hij is Zijn eigen leven, en het leven wil altijd met anderen worden gedeeld. Daarom plaatst Johannes de uitstorting van de Geest op de dag van de Verrijzenis zelf: om te zeggen dat Pasen al Pinksteren in kiemvorm is.

Maar ook om te zeggen dat Pasen, in zekere zin, niet “volledig” zou zijn zonder Pinksteren.
Het plan van de Vader is dat de mensheid het leven van de Zoon leeft: wel, Pasen maakt dit leven mogelijk, terwijl Pinksteren het in werking stelt, activeert en overdraagbaar maakt.
Het opstandingsleven behoort niet uitsluitend toe aan de Verrezene, noch wil het afgesloten en voorbehouden blijven voor enkelen: het wordt de Kerk, het Lichaam, een taal voor allen.

En dit vindt plaats tijdens een bijeenkomst in de bovenzaal op de avond van diezelfde dag, de eerste dag van de week (In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.” – Joh. 20:19)

Aan de ene kant vinden we de Verrezene, vervuld door de Vader met een leven dat overvloeit, een leven dat eeuwige volheid is. Aan de andere kant zijn er de discipelen: kwetsbaar, in zichzelf gekeerd, angstig, niet in staat om naar de toekomst te kijken, getekend door mislukking en vlucht. Ze leven, maar met een beperkt, beklemd leven, waarvan het licht op het punt staat te doven.

En toch vindt de ontmoeting juist binnen dit contrast plaats. De Verrezen Heer vraagt de discipelen niet om hun toestand te veranderen, maar Hij dringt door tot in hun wonden, niet tot hun sterke punten; Hij verblijft temidden van hun angst, niet van hun geloof; Hij toont hun Zijn wonden, niet Zijn glorie. In deze ontmoeting veroordeelt het Leven de kwetsbaarheid niet, maar reikt het ernaar uit en transformeert het van binnenuit. Hier ligt de grondslag van de gave van de Geest: het leven van de Zoon die zich buigt over de levens van Zijn volk, getekend door zonde, om hen op te richten.

Aan hen die kwetsbaar zijn, biedt de Heer niet alleen hulp, advies of bemoediging. Hij stopt niet bij het aanvaarden van hen zoals ze zijn. Aan deze kwetsbare mensen schenkt de Verrezen Heer Zijn eigen leven. Dat volle, overvloedige, eeuwige leven – het leven dat Hij als een geschenk van de Vader ontving – geeft de Verrezen Heer door aan de Zijnen, door middel van een gebaar en een woord die een overgang markeren, een brug waardoor dit leven de Kerk kan bereiken: “Hij blies over hen en zei: “Ontvang de heilige Geest.’” (Joh. 20:22).
Dit is geen symbolisch gebaar: het is de daadwerkelijke overgang van goddelijk leven naar menselijk leven. Een leven dat gekenmerkt wordt door drie eigenschappen.

Ten eerste is het een verzoend leven
Het eerste effect van de Geest is vergeving: “Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven” (Joh. 20:23). Het leven van de Verrezene doet wat dood is herleven en zorgt voor wat ziek is.
Zonde is in bijbelse taal geen morele smet: het is een zone van de dood, een plek waar de relatie is verbroken, waar het hart zich heeft gesloten en het leven niet langer stroomt. Wanneer de Verrezene de Geest schenkt, is het eerste wat er gebeurt dat het leven de dode zones binnengaat. Dit is wat vergeving is: het leven keert terug waar geen leven meer was, en alles krijgt de kans om opnieuw tot bloei te komen, om opnieuw te beginnen.

Ten tweede is het leven van de Verrezene een leven dat wordt uitgezonden: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” (Joh. 20:21). De Geest sluit niet in, trekt zich niet terug en isoleert niet. De Geest opent, breidt uit en zendt uit.
Daarom kan nieuw leven niet als een persoonlijke schat worden bewaard: het is een leven dat van nature naar anderen reikt, net zoals de Zoon ons heeft gezocht.
Zending is geen plicht die aan het christelijk leven wordt toegevoegd: het is het leven zelf van de Geest die in ons beweegt, het is een deelname aan Gods beweging naar de wereld toe, aan Zijn passie voor de mensheid.

Ten slotte is het nieuwe leven een leven waarin God woont.
De Verrezene staat niet aan de zijlijn: Hij komt binnen, staat temidden van hen en blaast de discipelen aan (“Hij ging in hun midden staan” … “Hij blies over hen en zei: “Ontvang de heilige Geest.” – Joh. 20:19, 22). Het is niet louter een beter leven, maar een leven waarin God Zijn thuis vindt. De Geest is geen externe hulp; Hij is geen kracht die af en toe komt, of vaker voor de gelukkigen. Hij is een stabiele aanwezigheid, als iemand die Zijn intrek heeft genomen in onze menselijkheid.

Deze drie elementen van het nieuwe leven zijn ook criteria voor onderscheiding waarmee we kunnen interpreteren wat er in en om ons heen gebeurt, en tegelijkertijd kunnen herkennen hoe en waar de Geest aan het werk is: waar iets verzoend wordt, daar stroomt het nieuwe leven; wat ons openstelt, ons decentraliseert en ons uit onszelf leidt, komt van de Geest; waar een innerlijke aanwezigheid groeit die vrede, verlichting en richting brengt, daar woont de Geest.

* Kardinaal Pizzaballa is de Latijnse patriarch van Jeruzalem

Overgenomen van het Latijnse Patriarchaat van Jeruzalem