(foto: Getty Images)

Vrijheid van onderwijs én thuisonderwijs dienen kind en samenleving

Als wij, verstoken van echte vrijheid van onderwijs (inclusief thuisonderwijs), onze kinderen niet meer weten te motiveren vanwege een diepgaande levenszin, hoe kan de maatschappij dan verwachten dat zij zich later inzetten voor elkaar?
Laurens Peeters *

De discussie over thuisonderwijs is weer terug. Staatssecretaris Judith Tielen van Onderwijs en Emancipatie laat onderzoeken of de vrijstelling van de leerplicht wegens richtingsbezwaren moet verdwijnen of moet worden aangepast. In het programma BOOS kwamen schrijnende ervaringen aan bod. De Kinderombudsman sprak zelfs over een schending van kinderrechten. In het RD (23-5) vertelde Corné Houtman intussen waarom zijn gezin juist uit overtuiging voor thuisonderwijs kiest.
Wie deze discussie serieus wil voeren, moet misstanden niet bagatelliseren. Een kind heeft recht op onderwijs, ontwikkeling, bescherming en zicht op de wereld buiten het eigen gezin. Maar dat recht staat niet tegenover de godsdienstige en pedagogische vrijheid van ouders. Integendeel: zeker bij jonge kinderen is samenhang tussen opvoeding en onderwijs van groot belang. Een kind leert vanuit vertrouwen, herkenning, voorbeeld en oefening. Als school en thuis fundamenteel uiteenlopen wat betreft het mens- en wereldbeeld, ontstaat geen verrijking maar vervreemding. Dat is pedagogisch schadelijk en didactisch onvruchtbaar. Vrijheid van onderwijs is daarom niet alleen een formeel recht van ouders, maar ook een belang van het kind: onderwijs moet kunnen landen.

Leerplichtwet
Juridisch is het uitgangspunt helder. Artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bepaalt dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd en dat de staat bij opvoeding en onderwijs het recht van ouders eerbiedigt om zich te verzekeren van onderwijs dat overeenstemt met hun godsdienstige en filosofische overtuigingen. Daarbij komt artikel 9 EVRM: de vrijheid van godsdienst omvat niet alleen innerlijk geloof, maar ook belijdenis, praktijk en onderricht. Wie geloofsoverdracht uit de opvoeding haalt, raakt dus niet een randverschijnsel van godsdienstvrijheid, maar het hart ervan.
Daar moet eerlijk bij worden gezegd dat de Europese en de Nederlandse rechtspraak deze bepalingen terughoudend uitleggen. Volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (ECHR/EHRM) mag de staat onderwijs verplicht stellen en het lesprogramma reguleren, zolang kennis over godsdienst en levensbeschouwing objectief, kritisch en pluralistisch wordt overgedragen en er geen sprake is van indoctrinatie.
De Hoge Raad sluit daarbij aan. In zijn recente arrest over richtingsbezwaren onder de Leerplichtwet oordeelt hij dat neutraal openbaar onderwijs in beginsel aan deze norm voldoet. Ouders kunnen zich dus niet eenvoudig aan de leerplicht onttrekken door te zeggen dat openbaar onderwijs niet met hun geloof overeenstemt. Zij moeten concreet aantonen dat het onderwijs niet objectief, kritisch en pluralistisch is.

Niet neutraal
Dat is de juridische stand van zaken. Maar juist hier wringt iets. Het EVRM is in 1950, kort na de verschrikkingen van het nationaalsocialisme, niet geschreven omdat staten van nature zo goed begrijpen waar hun macht ophoudt. Het is geschreven omdat een staat telkens weer de neiging heeft de eigen overtuiging aan allen voor te schrijven. Soms gebeurt dat grof en gewelddadig, maar meestal ambtelijk.
Daarom is het te gemakkelijk om openbaar onderwijs neutraal te noemen zodra het pluralistisch is ingericht. Wat vandaag als ”neutraal” wordt gepresenteerd, is vaak een herkenbare, globaal links-liberale kijk op het leven: zingeving is privé, waarheid over de zin van het bestaan is relatief en kinderen moeten vooral zelf bepalen wie zij zijn en wat zij waardevol vinden - zolang zij zich maar houden aan bepaalde voorgeschreven gedragsnormen en bepaalde opvattingen onderschrijven. Dat is een te respecteren levensvisie. Veel ouders zullen hun kinderen zo opvoeden en voor die kinderen hangen school en thuis met elkaar samen. Maar die visie is niet neutraal. Het is een eigen kijk op mens, vrijheid, waarheid en gemeenschap.
Precies daarom zouden ook liberalen hier uiterst terughoudend moeten zijn. Staatssecretaris Tielen en haar ambtenaren zijn er ongetwijfeld oprecht van overtuigd dat deze levensvisie de juiste of althans de veiligste is voor kinderen. Maar de seculiere en liberale opdracht is nu juist dat de staat zich niet in de plaats van ouders stelt. Als vandaag een links-liberale overheid mag bepalen dat kinderen in die links-liberale visie moeten worden gevormd, waarom zou morgen een andere meerderheid het openbaar onderwijs dan niet mogen vullen met een nationalistische, conservatieve of technocratische visie? Wie de vrijheid van ouders relativeert wanneer de eigen overtuiging bestuurlijk overheersend is, heeft weinig verweer wanneer de macht wisselt.

Kinderen van de staat
Dat is geen pleidooi om kinderen af te sluiten van de samenleving. Ze moeten leren dat anderen anders kunnen denken. Zij moeten argumenten leren wegen en de wereld leren kennen. Maar vorming is iets anders dan vrijblijvende kennismaking of achteloze relativering. Een overtuiging leer je niet werkelijk kennen wanneer zij slechts wordt gepresenteerd als één optie naast vele andere, waarover de school uiteindelijk niets mag of wil zeggen. Natuurlijk moet een kind naarmate het ouder wordt die overtuiging ook leren beproeven. Maar dat kan pas als het eerst werkelijk in een overtuiging is gevormd.
Als een kind op school steeds hoort dat religie een privézaak is, dat er geen waarheid bestaat over de zin van het bestaan en dat ieder zelf moet bepalen wat hij waar vindt, zal het religie en overtuiging al snel maatschappelijk overbodig achten. Daarmee komt juist datgene buiten beeld wat ouders het meest aan het hart ligt: de reden om te leven, te leren en lief te hebben.
En als de ”kinderen van ouders” eenmaal ”kinderen van de staat” worden, zal juist het kind verlies lijden. Want de staat kan regels stellen, toetsen afnemen, inspecteren en rapporteren. Maar hij kan een kind niet liefhebben zoals een vader of moeder dat kan. Dat is niet alleen erg voor die gezinnen, maar ook voor de samenleving als geheel. Want als wij, verstoken van werkelijke vrijheid van onderwijs (inclusief thuisonderwijs), onze kinderen niet meer weten te motiveren vanwege een diepgaande levenszin, hoe kan de maatschappij dan verwachten dat zij zich later inzetten voor elkaar?

Vrijheden zijn lastig
Dat betekent niet dat thuisonderwijs buiten elke norm moet staan. De vraag of kinderen voldoende leren, zich breed ontwikkelen en niet geïsoleerd raken, is legitiem. Maar toezicht moet dienstbaar zijn aan het kind én aan de vrijheid van ouders. Het mag niet uitlopen op een staatskeuring van geloofsovertuigingen. Wie thuisonderwijs wil afschaffen, moet daarom meer uitleggen dan dat toezicht lastig is. Vrijheden zijn vaak lastig. Juist daarom zijn het vrijheden.

* De auteur is advocaat onderwijsrecht en bestuurder in het primair onderwijs.

Overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad, 4 juni 2026. (bijgevoegde pdf)