
Leo XIV: „Die gezonde onrust die een geschenk van God is”
De dialoog van de Heilige Vader met jongeren en zijn homilie tijdens de gebedswake in het Olympisch Stadion „Lluís Companys“ in Barcelona tijdens zijn apostolische reis naar Spanje (9 juni 2026)Heilige Vader, wij groeien op met de boodschap dat het enige doel in het leven is te produceren, succes te hebben en zorg te dragen voor ons imago. Zelf heb ik dat ook geprobeerd, maar ik vond alleen een immense leegte. Op zoek naar antwoorden kreeg mijn leven een nieuwe wending en tijdens de voorbije paasnacht heb ik het doopsel ontvangen. Nu deze weg nog nieuw voor mij is, vraag ik u: hoe kunnen wij onze blik gericht houden op wat werkelijk belangrijk is, wanneer de samenleving ons voortdurend aanspoort naar de grond te kijken of alleen met onszelf bezig te zijn? Hoe kunnen wij onze ware roeping ontdekken te midden van deze stroom?
Dank u voor dit getuigenis. Ik wil allereerst delen in uw vreugde en in de vreugde van allen die tijdens de voorbije paasvieringen het sacrament van het doopsel hebben ontvangen.
Talrijke jongeren en volwassenen herontdekken het christelijk geloof, misschien na een periode waarin zij zich wat van God hadden verwijderd. Dat is een bijzonder belangrijke stap. Alles wat wij onderweg ontdekken, ontvangen en geleidelijk leren beleven, draagt bij tot onze groei, tot onze rijpheid en tot het verruimen van de ruimte die wij in ons hart aan het leven geven. Tegelijk merken wij, te midden van vreugden, successen en teleurstellingen, dat wij nood hebben aan ander water om werkelijk onze diepste dorst te lessen. Ons verlangen naar waarheid en geluk vraagt om een ruimere horizon. Die innerlijke onrust is een gave van God zelf. Wij zijn immers geschapen voor het oneindige. Daarom brengt elke begrensde horizon, elke stap die wij zetten en elke verwezenlijking die wij bereiken ons wel voldoening, maar wekt zij tegelijk het verlangen om verder te zoeken. Zij nodigt ons uit om vooruit te gaan in onze zoektocht, maar vooral om dieper af te dalen in onszelf, naar de plaats waar de ware diepte van het leven te vinden is.
Hier wil ik twee korte gedachten meegeven. De eerste is dat wij die gezonde onrust moeten koesteren. In onze samenleving zijn de verafgoding van winst en rendement, de drang om voortdurend te produceren en te winnen, en ook de cultus van het eigen imago vaak verdovingsmiddelen die ons geweten in slaap wiegen en aanpassen aan een bepaalde visie op de samenleving. Wanneer mensen leren stil te vallen, aandacht te schenken aan wat werkelijk belangrijk is, de tijd op een andere manier te beleven en hun leven te bekijken in het licht van het Evangelie, ontwikkelen zij ook een kritische blik tegenover een sociaal systeem dat de mens niet centraal stelt en op verschillende niveaus vormen van onrecht en existentiële armoede voortbrengt. Daarom boezemt die onrust soms angst in, net als de ontdekking van het innerlijk leven, van de spiritualiteit en meer nog van het Evangelie zelf.
Een tweede gedachte is dat wij deze onrust juist in deze wereld moeten cultiveren, niet ergens anders. Het is midden in deze samenleving dat u en zovele anderen de waarde hebben ontdekt van een menselijker en voller leven, open voor de ontmoeting met God en voor de vreugde van het geloof. Dat betekent dat de plaats waar God zich laat vinden, ondanks alle moeilijkheden, altijd de werkelijkheid is waarin wij leven. Daar mogen wij zijn sporen zoeken. Wij geloven dat de heilige Geest stil en verborgen werkzaam is in alle situaties van het leven en van de geschiedenis, ook in die welke het moeilijkst lijken. Daarom moeten wij ruimte maken voor deze onrust. Zoals ik al zei: wij moeten leren “vanbinnen te zoeken”. Dat vraagt dat wij ons niet laten meeslepen door het tempo en de verleidingen van buitenaf. Het vraagt dat wij momenten van stilte koesteren, misschien elke dag enkele minuten nemen om het Evangelie te lezen en met God te spreken. Het vraagt ook dat wij deze innerlijke weg samen met anderen gaan, ons laten begeleiden binnen de Kerk en in gesprek blijven met priesters, religieuzen en mensen die, net als wij, deze weg zijn ingeslagen.
Heilige Vader, in een wereld waarin alles luid wordt uitgesproken, blijven sommige aspecten van het leven verborgen en omgeven door schaamte; zoals depressie, een stille ziekte die vele mensen treft, zowel jongeren als volwassenen, en die gepaard gaat met duisternis, isolement en een onmetelijke pijn. Soms wordt die pijn zo overweldigend dat de gedachte om te verdwijnen de enige uitweg lijkt. Zelf heb ik jarenlang in stilte tegen deze ziekte gevochten en op een vrijdagavond verloor ik de strijd en probeerde ik een einde aan mijn leven te maken. Ik ben hier omdat God mij een tweede kans heeft gegeven, waarvoor ik Hem eeuwig dankbaar zal zijn. Maar er zijn velen die deze duisternis nog altijd moeten doorstaan. Daarom vraag ik u uit heel mijn hart: waar kunnen wij God zien wanneer de duisternis totaal is en wij niet meer verder kunnen? Hoe kunnen wij op God vertrouwen wanneer het lijkt alsof niets, zelfs wijzelf niet, nog de moeite waard is?
Allereerst dank ik je dat je vandaag jouw ervaring van lijden met ons hebt gedeeld. Het ontroert mij dat je erover kunt spreken, dat je hier onder ons bent en dat je de kracht hebt gevonden om deze tweede kans, die de Heer je heeft gegeven, te aanvaarden. Je bent weer opgestaan en hebt je weg hervat. Dat is een prachtig wonder, zoals wij het zien bij vele figuren in het Evangelie. Wanneer zij met Jezus in aanraking komen, herwint zelfs wie zich verloren voelt het vertrouwen in het leven, wordt genezen van zijn ziekte en kan opnieuw opstaan om verder te leven.
In je vraag verwees je allereerst naar de “stille ziekte” die depressie is. Het is belangrijk ons ervan bewust te worden dat de geestelijke gezondheid steeds meer onder druk komt te staan in samenlevingen die zichzelf als ontwikkeld beschouwen. Dat is een teken dat er iets fundamenteel verkeerd zit in een bepaalde opvatting van vooruitgang, die mensen blootstelt aan druk, verwachtingen en spanningen die hun innerlijk evenwicht aantasten. Daarom is er behoefte aan een gezondheidszorgsysteem dat deze onzichtbare en wijdverspreide vorm van lijden tot zijn prioriteiten rekent, een lijden dat ook veel jongeren treft.
Je woorden laten ons echter ook zien dat pijn het geloof en de betekenis die wij aan het leven geven op de proef stelt. Dat geldt voor iedereen, niet alleen voor wie op een bepaald moment de beproeving van ziekte moet doorstaan.
Terwijl ik naar je luisterde, dacht ik aan de uren van duisternis, angst en pijn die Jezus heeft doorgemaakt toen het uur van zijn dood naderde. De evangelisten benadrukken tijdens het Laatste Avondmaal en het gebed in Getsemane dat de avond viel en de nacht naderde. Kort voor zijn dood aan het kruis vertellen zij ons bovendien dat “het hele land in duisternis gehuld werd”. Toch gaat het hier om meer dan een persoonlijk lijden. De Zoon van God neemt in zijn eigen lichaam de angst, de eenzaamheid en het lijden van de hele mensheid op zich. In die donkere uren, stervend aan het kruis, deelt Jezus in onze pijn en openbaart Hij ons het gelaat van een barmhartige God, die onze lasten draagt, met ons lijdt, onze tranen weent en ons nabij blijft met een aanwezigheid vol liefde en ontferming.
Deze ervaring doormaken is moeilijk. De Heilige Schrift getuigt daar herhaaldelijk van. Er zijn momenten van duisternis en lijden die onze samenleving liever verzwijgt, omdat bepaalde culturele modellen ons voortdurend succesvol en volmaakt willen zien. Daardoor worden grenzen, kwetsbaarheid en pijn weggeduwd of opgesloten in de oorverdovende stilte van eenzaamheid en schaamte. Op zulke ogenblikken kunnen wij spontaan denken dat ook God ons verlaten heeft. Maar het kruis van Jezus zegt ons dat God ons niet in de steek laat. Hij blijft met ons gekruisigd in de uren van pijn en uiterste eenzaamheid. Hij vangt niet alleen onze tranen op, maar ook de schreeuw van ons lijden die door anderen niet wordt gehoord, een schreeuw die Jezus aan het kruis tot de zijne maakte toen Hij bad: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”
Er bestaat een catechese over de laatste uren van Jezus (Engels) waarin paus Benedictus XVI zegt dat zijn lijden gebed en een roep wordt. Dat geldt ook voor ons. Wanneer wij geconfronteerd worden met de moeilijkste en pijnlijkste situaties en God afwezig lijkt, mogen wij Hem opnieuw de lasten toevertrouwen die wij in ons hart dragen. Wij mogen zelfs tot Hem roepen en ons beklagen zoals Job deed, in het vertrouwen dat Hij op een of andere wijze aanwezig is en nabij blijft, ook wanneer Hij schijnbaar zwijgt.
Maar ik denk dat wij dit niet alleen kunnen dragen. In uren van pijn moeten wij, voor zover mogelijk, ons openen voor iemand die ons helpt een eenvoudig gebed uit te spreken, die ons met fijngevoeligheid begeleidt zonder haastig verklaringen te geven voor dat lijden, die onze hand vastneemt en ons helpt uit die schreeuw van wanhoop naar buiten te komen.
Deze ervaringen dragen ook een boodschap in zich voor ons gelovigen en voor de hele Kerk. Wij mogen het lijden niet vergeestelijken door het oppervlakkig toe te schrijven aan de “wil van God” of aan een geheimzinnig plan van Hem. Dat dreigt het lijden te minimaliseren, het tot zwijgen te brengen en mensen nog dieper te kwetsen. God wil het lijden niet. Hij draagt het samen met ons en nodigt ons uit om met volharding op Hem te vertrouwen.
Laten wij daarbij denken aan de woorden van paus Franciscus: Met God begint het leven altijd opnieuw.
Heilige Vader, goedenavond. Ik kom uit een arm gezin in een bescheiden wijk van Barcelona. Toen ik klein was, probeerde mijn vader mijn moeder te vermoorden. Zij overleefde omdat een jongen tussenbeide kwam en daarbij om het leven kwam. Mijn vader belandde in de gevangenis en mijn moeder raakte verslaafd aan drugs. Toen ik tien jaar oud was, namen de sociale diensten de zorg voor mij over en brachten mij naar het opvangcentrum van San José de la Montaña. In het begin was dat moeilijk, omdat ik een muur rond mij had opgebouwd om mij te beschermen en niemand meer toeliet. Maar geleidelijk ervoer ik daar voor het eerst wat het betekent om deel uit te maken van een familie en ging mijn hart open. Daar hoorde ik over Jezus, begon ik te bidden en werd ik gedoopt. Tijdens mijn tienerjaren kwam ik echter vaak in opstand tegen God. Later werd ik uitgenodigd voor een retraite en daar heb ik voor het eerst Gods liefde ervaren. Nu zijn er enkele maanden voorbijgegaan en merk ik dat het mij nog steeds moeilijk valt mijn vader te vergeven. Soms kijk ik naar de hemel en vraag ik: waar was U toen ik een kind was? Heilige Vader, hoe kan ik mijn vader vergeven, die mij bijna mijn moeder heeft ontnomen? Hoe kan ik mij werkelijk met God verzoenen?
Dank je voor je getuigenis en ook voor je vraag over vergeving. Alleen al het feit dat deze vraag opkomt uit een verleden dat zo sterk door lijden is getekend, en dat je ondanks die pijn de moed hebt om te vragen hoe het mogelijk is iemand te vergeven die je zoveel kwaad heeft gedaan, is een teken van Gods genade. Ook hierover wil ik twee gedachten met je delen.
De eerste sluit aan bij wat ik eerder zei over Gods aanwezigheid in de uren van ons lijden. Ook jij stelt die vraag wanneer je terugkijkt op je kindertijd. Maar de gebeurtenissen die jouw leven hebben getekend, nodigen ons uit om de vraag ruimer te stellen. Moeten wij ons alleen afvragen: “Waar was God?” Of moeten wij ons ook afvragen wat er met de mens en met de mensheid gebeurt, hoe wij soms gevangenen worden van het kwaad en daardoor gewelddadig worden tegenover anderen, hoe wij er niet in slagen liefde te laten groeien en de waardigheid en vrijheid van de ander te respecteren?
Zoveel berichten over geweld en misdrijven tonen ook vandaag nog hoe relaties binnen gezinnen vergiftigd kunnen raken door misbruik, onderdrukking en vooral geweld tegen vrouwen, dat helaas vaak uitmondt in femicide. Deze dramatische werkelijkheid heeft diepe antropologische en culturele wortels. Daarom zijn wij allen geroepen haar onder ogen te zien, zowel persoonlijk als maatschappelijk. Het is onze verantwoordelijkheid om dit probleem in al zijn dimensies aan te pakken.
Wij kunnen niet aan God toeschrijven wat aan onze verantwoordelijkheid is toevertrouwd. Wij mogen ons niet voorstellen dat God vanuit de hemel automatisch al onze problemen oplost of op wonderbare wijze verhindert dat het kwaad gebeurt. Hij heeft ons verstand en wil gegeven. Hij heeft ons een geweten geschonken en ons bekleed met waardigheid en vrijheid. Meer nog, Hij is ons tegemoetgekomen om ons in zijn Zoon Jezus Christus de weg te wijzen die wij moeten gaan, opdat ons leven ten volle menselijk zou zijn en in onze samenleving rechtvaardigheid, vrede en broederlijkheid zouden heersen. Hij heeft ons zijn eigen Geest gegeven, opdat liefde de sleutel zou zijn van al onze menselijke relaties. Wanneer geweld de overhand krijgt, wanneer egoïsme zegeviert en zelfs de liefde binnen een gezin omslaat in haat, dan moeten wij vragen stellen aan onszelf, aan de dynamieken van onze samenleving, aan de cultuur van het individualisme en aan de verleiding van geweld, niet aan God.
Een tweede gedachte betreft de vergeving. Wij moeten leren vergeving te zien als een krachtig geneesmiddel tegen het kwaad, een medicijn dat onze innerlijke wonden heelt. Tegelijk moeten wij beseffen dat vergeving deel uitmaakt van een proces, van een weg die stap voor stap wordt afgelegd. Wanneer wij het Evangelie uitsluitend lezen als een verzameling voorschriften, geboden en verplichtingen, dreigt het ons te ontmoedigen. Jezus roept ons immers op tot vergeving, terwijl wij ervaren hoe moeilijk dat soms is. Maar zo mogen wij het niet bekijken.
Vergeving moeten wij allereerst aan de Heer vragen. Wij mogen blijven bidden, misschien heel ons leven lang, dat Hij in ons het vermogen tot liefde vergroot juist op de plaatsen waar wij gekwetst zijn. Wij mogen Hem vragen ons te helpen onszelf te verzoenen met die delen van onze geschiedenis die door lijden zijn getekend, en om langzaam wrok om te vormen tot barmhartigheid en mededogen.
Dat is een lange weg. Het is een proces dat veel geduld vraagt. Het is een innerlijk werk dat wij moeten verrichten, persoonlijk maar ook met hulp van begeleiding en wegen van innerlijke verzoening. Daarom mogen wij de moed niet verliezen. In vergeving zetten wij kleine stappen. De verzoening met onze geschiedenis groeit geleidelijk.
Vooral moeten wij niet denken dat vergeving altijd betekent dat alles weer wordt zoals vroeger, of dat wij noodzakelijk een volledige relatie moeten herstellen met degene die ons heeft gekwetst, zeker wanneer er sprake was van geweld. Men kan een welwillende houding bewaren tegenover die persoon, elke vorm van haat en wraak afwijzen, proberen de relatie te herstellen voor zover dat mogelijk is en misschien zelfs voor hem of haar bidden.
Dit alles helpt ons steeds dieper binnen te treden in de dynamiek van de vergeving en ons te verzoenen met God en met de anderen. Wij zijn zondaars aan wie vergeving is geschonken. Wij hebben vrede ontvangen en zijn daardoor in staat om te vergeven. Wij kunnen dragers van vrede worden.
Homilie van de Heilige Vader
Dierbare broeders en zusters, geliefde zonen en dochters van God
In het Evangelie dat wij zojuist hebben beluisterd (Joh. 3, 1-17) ontmoeten wij Nicodemus, die in de nacht naar Jezus komt. Ook wij zijn als Nicodemus, pelgrims in de nacht. Dit evangelisch tafereel biedt ons allereerst een boodschap over de weg van het leven.
Onze tocht, onze verlangens en alles wat wij dagelijks beleven, in vreugde en tegenslag, in onze verwachtingen en plannen, drukken een voortdurende zoektocht uit. Wij verlangen naar liefde. Wij hongeren en dorsten naar waarheid. Wij zoeken een diepe betekenis die ons draagt, ons bezielt en ons helpt het mysterie van ons leven te verstaan. Terwijl wij langzaam voortgaan, stap voor stap, worden wij uitgenodigd ook de grenzen van onze menselijke conditie onder ogen te zien. De volle waarheid ontglipt ons. Wij kennen het mysterie van onszelf niet ten volle en evenmin het ware gelaat van de anderen. Niet altijd slagen wij erin de diepere betekenis te ontdekken van de werkelijkheid die ons omringt en van de gebeurtenissen die zich voor onze ogen afspelen. Daarom zoeken wij een licht dat onze weg verlicht.
Maar Nicodemus spreekt ons ook over de weg van het geloof. Het gaat niet om een pad dat losstaat van onze menselijke levensweg. Beide wegen zijn voortdurend met elkaar verweven. Zoals wij in het Evangelie hebben gehoord, heeft God de wereld zo liefgehad dat Hij ons zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven. In Hem heeft Hij zich voor altijd met ons mens-zijn verbonden. Hij is altijd bij de Vader en tegelijk bij ons. Daarom staan wij, telkens wanneer het mysterie van ons leven zich opent voor het licht van een nieuwe dag, in alles wat wij zijn en doen in Gods aanwezigheid. Wij worden gedragen door zijn eeuwige liefde. Ons leven is, zoals de apostel zegt, “met Christus verborgen in God” (Kol. 3, 3). Toch ervaren wij soms de nacht van het geloof, de moeite van het geloven, de vermoeidheid van de geest, het gevoel tekort te schieten tegenover de oproep van het Evangelie, de bitterheid van onze mislukkingen en de angst dat wij niet in staat zullen zijn te beantwoorden aan wat van ons wordt gevraagd.
Broeders en zusters, Nicodemus leert ons dat deze nachten, die ons leven, onze geloofsweg en de geschiedenis waarin wij leven begeleiden, een plaats van zegen zijn. Zij vormen een ruimte om opnieuw geboren te worden, een schoot waaruit steeds nieuw leven voortkomt. Deze nachten ontnemen ons wat overbodig is en brengen ons terug naar het wezenlijke. Zij nemen de menselijke en religieuze maskers weg die wij overdag dragen, om niet herkend te worden of om ons anders voor te doen dan wij werkelijk zijn. Zij laten ons achter met onze licht- en schaduwzijden en brengen ons terug tot de nederigheid om onszelf in waarheid te bekijken. Dan laten wij de gedachte los dat onze weg al voltooid zou zijn en dat wij over alles een helder inzicht zouden bezitten: over de werkelijkheid, over de anderen en zelfs over God.
Deze “lege ruimte” die de nacht schept, ook wanneer zij zich aandient in de vorm van lijden, onvrede, teleurstelling of ongeloof, kan een gelegenheid worden om nieuw leven te ontvangen, om te veranderen en vernieuwd te worden, om “van bovenaf geboren te worden”, zoals Jezus tegen Nicodemus zegt. God is immers niet gekomen om de wereld te veroordelen vanwege haar zonde en de nacht van haar ontrouw. Hij heeft zijn Zoon gezonden om haar te redden en haar het eeuwige leven te schenken.
Daarom zijn ook wij geroepen om de “nachten” niet te veroordelen: niet de nachten van ons eigen leven, niet die van de Kerk en evenmin die van de samenleving waarin wij leven. In de nacht moeten wij veeleer op weg gaan zoals Nicodemus, ons blijven laten aanspreken door de Heer en ons openen voor de adem van de Geest, zodat wij de nacht niet langer zien als een teken van mislukking, maar als het begin van nieuw leven.
Wanneer wij denken aan onze persoonlijke weg, maar ook aan de nachten van onze kerkelijke weg en aan die van Spanje, aan zijn steden, zijn oude en nieuwe vormen van armoede, zijn samenleving en zijn cultuur, dan kunnen wij ons afvragen: welke nachten maken wij door? Wat hebben zij ons te zeggen? Wanneer wij die nachten binnengaan en met nederigheid en zonder vooroordelen kijken naar de werkelijkheid van wie wij zijn, waartoe worden wij dan geroepen? Wat moeten wij veranderen? Waar hebben wij nood aan vernieuwing? Welke richting willen wij uitgaan? Welke samenleving willen wij opbouwen?
Laten wij niet ophouden te zoeken, ons vragen te stellen en met God en met elkaar in gesprek te blijven, ook in het hart van de nacht. Laten wij samen op weg gaan in een geloof dat de verscheidenheid van onze ideeën en gevoeligheden weet te harmoniseren. Zo kunnen wij de waarheid zoeken die ons naar het algemeen welzijn leidt, opdat dit land een gastvrije plaats mag zijn voor iedereen, waar iedere mens wordt gerespecteerd in zijn waardigheid en bemind om wie hij is.
Laten wij ons openstellen voor de gave van de Geest. Laten wij de Heer zoeken zoals Nicodemus en het licht van zijn Evangelie ontvangen, in het vertrouwen dat wij in onszelf nieuw leven zullen ervaren, een aanwezigheid die zegent, een belangeloze liefde die ons helpt de overgang te maken van de nacht naar het licht. Want God wil niet dat er iets verloren gaat. Reeds nu wil Hij ons het eeuwige leven schenken om ons te leiden naar het geluk dat geen einde kent.
Moge de Heer ons, door de voorspraak van de Maagd Maria, de genade schenken ons voor Hem te openen en ons te laten meevoeren door de wind van zijn Geest.
De vertalingen van de dialoog van de Heilige Vader met jongeren en zijn homilie zijn overgenomen uit rkdocumenten.nl.