Chengdu (China): Minirobots geven een tai chi-les op een beurs voor onderwijstechnologie.

De ambitie om de mens te vervangen

Het overwinnen van biologische grenzen door technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen stelt de kerk voor nieuwe uitdagingen. Een document van de Internationale Theologische Commissie gaat in op deze vraagstukken
Javier M. Prades López *

De razendsnelle technologische vooruitgang en de vorderingen van de moderne wetenschap wekken een terechte verwondering over de capaciteiten van de mensheid. Maar deze bewondering gaat gepaard met een niet minder diep gevoel van onzekerheid. Tegelijkertijd wordt onze kwetsbaarheid duidelijk: tijdens de pandemie, in de ecologische en milieucrisis of in het licht van de oorlogsconflicten. We maken een ontwikkeling mee die een dringende ethische en spirituele onderscheiding vereist, om te verduidelijken in hoeverre we te maken hebben met echte vooruitgang of met een onstuitbare achteruitgang.

Halverwege de 20e eeuw formuleerde Martin Heidegger een paradox die vandaag de dag een bijna profetische betekenis heeft gekregen: „Geen enkel tijdperk heeft zoveel en zovele verschillende dingen over de mens geweten als het huidige; maar geen enkel tijdperk heeft minder geweten wat de mens is dan het huidige.“ De Duitse filosoof beperkte zich echter niet tot het vaststellen van een probleem maar zag in deze paradox een kans om het menselijke in al zijn dimensies te doorgronden. Tot dezelfde taak worden wij in dit eerste derde deel van de 21e eeuw geroepen.

De technologische en wetenschappelijke ontwikkeling heeft voorstellen voor een „verruimd mens-zijn“ vleugels gegeven die niet stoppen bij de grenzen van het biologische of het sociale. Culturele en filosofische stromingen zoals transhumanisme en posthumanisme domineren inmiddels het mondiale collectieve bewustzijn. Transhumanisten geloven dat de mens technologie kan gebruiken om zijn fysieke grenzen volledig te overwinnen, met name veroudering en de dood. Dit is een eenzijdige, antropocentrische en in zekere zin naïef-optimistische visie die grenst aan arrogantie. Het posthumanisme is daarentegen somberder: het bekritiseert het traditionele humanisme tot het punt waarop het het bestaan ontkent van een menselijke vorm die het verdient om als zodanig bewaard te blijven. Door de nadruk te leggen op de cybernetica en de grens tussen mens en machine te vervagen toont het posthumanisme zich pessimistisch ten aanzien van onze concrete situatie.

Deze stromingen weerspiegelen in zekere zin een onmiskenbaar ‘menselijk’ streven: de wens om boven zichzelf uit te stijgen en een aangevoelde maar niet bereikte volheid te verwerven. Alleen mensen zijn zich bewust van hun eigen eindigheid. Wij zijn de enigen die in staat zijn deze eindigheid te confronteren met de oneindigheid – hoe verschillend de uitingen van deze onontkoombare spanning ook mogen zijn – zoals Kierkegaard het bijvoorbeeld verwoordde. Maar beide stromingen dwingen ons tot de vraag of dit streven naar iets ‘bovenmenselijks’ niet veeleer uitmondt in het ‘onmenselijke’. Het probleem ligt niet in de wens om daarbuiten te treden, die we allemaal delen, maar in de pretentie om het menselijke te vervangen – volgens het gebod van Nietzsche: „Ik verkondig u de Übermensch. De mens is iets dat overwonnen moet worden.“

Vandaag de dag beschikken we ongetwijfeld over middelen die ons zelfbeeld veranderen. In tegenstelling tot andere technologisch-wetenschappelijke doorbraken gaat het hier niet langer om eenvoudige, zogenaamd neutrale instrumenten die je op een goede of slechte manier kunt inzetten. De NBIC-convergentie (nanotechnologie, biotechnologie, informatica en cognitieve wetenschappen) vormt een ‘levensomgeving’ die onze fundamentele relaties vormt en verandert: met de natuur, doordat ze de illusie wekt dat we niet langer afhankelijk zijn van fysische en biologische wetten; ten opzichte van onze medemensen, doordat ze de warmte van levendige gemeenschappen vervangt door kille, onpersoonlijke mondiale verbindingen; ten opzichte van onszelf, doordat ze de menselijke identiteit reduceert tot een verzameling optimaliseerbare gegevens; ten opzichte van God, doordat ze het menselijke en goddelijke mysterie verduistert onder het verblindende licht van technologische zelfrechtvaardiging. Hoe meer kennis we aan AI delegeren, hoe meer het kritisch denken verzwakt. Vaak wordt alles wat het algoritme niet met hoge snelheid kan verwerken – zoals filosofische of religieuze ‘waarom’-vragen – van het epistemologische canon uitgesloten. Maar er zijn ook kansen. De hedendaagse theologie nodigt uit om de ontwikkeling te begeleiden door middel van een humanisme dat deze omzet in echte vooruitgang. Een cruciale stap daarbij is het herwinnen van het geheugen (anamnesis) voor het persoonlijke en maatschappelijke leven. We moeten die mysterieuze, onoverkomelijke diepte van het bewustzijn herontdekken, waarin de tijd zich uitstrekt – verleden, heden en toekomst – en die herinnert aan de eeuwigheid, temidden van het vluchtige en allesomvattende moment van het internet. In de Urban age, waarin de helft van de mensheid in hyperverbonden megasteden leeft, is het bovendien van belang de levende tradities van gezinnen en volkeren te behouden, zodat deze niet worden vervangen door een anonieme verbinding in de mondiale „infosfeer”.

In haar recentste document Quo vadis humanitas? roept de Internationale Theologische Commissie op tot de typisch menselijke openheid voor het oneindige door middel van relaties met anderen en met de Ander, dat wil zeggen met God. Dante beschrijft dit proces als een onuitsprekelijk ‘Trasumanar’, dat in de hemel wordt beloofd aan hen die hier groeien in de ervaring van de genade. Terwijl wij leven, wordt deze belofte al voorafgegaan door de uitwisseling van ‘roep en antwoord’ tussen God en de mensen. In deze dialoog verschijnt het bestaan tegelijkertijd als een geschenk en als een opdracht, die ons tot hoofdrolspelers maakt in het unieke avontuur dat elk persoonlijk en gemeenschappelijk leven is. Vanuit dit perspectief roept de commissie op om samen te werken met vertegenwoordigers van de kennis, de wetenschappen en de kunsten, om in een gezamenlijke inspanning een holistische mensheid vorm te geven. Onlangs nam ik deel aan een forum met wereldwijd toonaangevende figuren uit de IT-sector. Een van de experts op het gebied van de digitale revolutie stelde ons, theologen, een prikkelende vraag: „Hoe kunnen jullie datgene wat jullie ons hier vertellen, overbrengen en de leidinggevenden van de grote technologiebedrijven helpen deze rijkdom aan menselijke ervaring te ontdekken?“ Hij verwierp het christelijke voorstel niet, maar vroeg zich af hoe men dit naar de centra van de technologische en economische macht kon brengen. Zestig jaar na de afsluiting van het Tweede Vaticaans Concilie stelt de theologie dit interdisciplinaire werk voor ten behoeve van het algemeen welzijn.

De wereld heeft geen kwalitatieve sprong in de richting van het posthumanisme nodig, maar een holistische en solidaire ontwikkeling van de hele mens en voor alle mensen. Alleen zo kunnen we leven in overeenstemming met die „oneindige grootheid“ die onze kostbare eindigheid ondersteunt en voedt. Dante wijst ons eens te meer de weg, zoals Odysseus dat deed met zijn metgezellen: „Denk aan jullie oorsprong: / Jullie zijn niet geschapen om als dieren te leven, / maar om de deugd en de kennis te volgen.“

(Het artikel is eerder gepubliceerd in het Spaanse dagblad ABC)

* Hoogleraar systematische theologie aan de kerkelijke universiteit San Dámaso in Madrid