Nassera Kermiche en Roseline Hamel (© Bruno Lévy/XO)

De onmogelijke omhelzing

“Wie zou er wel meer kunnen lijden dan ik?” Dat vroeg Roseline Hamel zich af na de dood van haar broer, pater Jacques, die in zijn kerk werd doodgestoken. Het antwoord bracht haar in contact met Nassera Kermiche, de moeder van de man die hem had vermoord
Anna Leonardi

Dit is het verhaal van twee vrouwen die elkaar nooit hadden mogen ontmoeten. Twee parallelle levenswegen die op de ochtend van 26 juli 2016 door hetzelfde verdriet werden doorkruist, toen in Saint-Étienne-du-Rouvray, een klein stadje in Normandië, pater Jacques Hamel aan het einde van de mis door twee islamitische terroristen werd vermoord. Terwijl deze aanslag voor Frankrijk de nachtmerrie verlengde die in de voorgaande maanden was begonnen met Charlie Hebdo, de Bataclan en de promenade in Nice, opende die ochtend voor Roseline Hamel en Nassera Kermiche een afgrond die hun leven voor altijd had kunnen verzwelgen. Pastoor Hamel was de oudere broer van Roseline, en de jongeman die hem neerstak, Adel, was de zoon van Nassera.

Vandaag vertellen de twee vrouwen wat er die dag is gebeurd. Ze deden dat in het boek Sorelle di dolore (Zusters in verdriet) van Samuel Lieven en zullen hun verhaal opnieuw vertellen tijdens een sessie op de komende Rimini Meeting. „Die ochtend trof het nieuws over de dood van Jacques me als een kanonskogel”, zegt Roseline, die op dat moment met haar kinderen en kleinkinderen bij haar broer was aangekomen om samen een paar dagen vakantie door te brengen. „We waren heel hecht; we hebben tijdens onze jeugd veel moeten doorstaan. En hij was altijd mijn rots in de branding. Alleen al zijn aanwezigheid was voor mij een bron van rust. Toen ze me na uren wachten vertelden dat het slachtoffer van de aanslag in de kerk Jacques was schreeuwde ik zijn naam zo hard dat ik het bewustzijn verloor. Door die schreeuw kreeg ik een ingeklapte long, waar ik vandaag de dag nog steeds last van heb.”

Pater Hamel was 86 jaar oud. Hij was een zachtaardige man, geliefd bij iedereen. Hij had Normandië nooit verlaten, behalve in 1953, toen hij als seminarist werd opgeroepen voor de Algerijnse Oorlog. „Daar overleefde hij een aanval op het konvooi waarin hij reisde. Iedereen behalve hij kwam om. Vanaf dat moment bleef de vraag ‘Waarom ik?’ hem zijn hele leven achtervolgen. Ik zei hem altijd dat God hem had gespaard omdat hij een missie had, maar mijn uitleg overtuigde hem niet. We hadden ons niet kunnen voorstellen hoe waar dat was”, zegt Roseline.

Misschien begreep pater Hamel in die laatste momenten voor zijn dood de volle diepgang van zijn roeping. „Vrede zij met u“, waren zijn voorlaatste woorden. Hij sprak ze uit, zoals hij dat elke dag aan het einde van de mis deed om de gelovigen te zegenen, toen de twee aanvallers al in de kerk waren, gewapend met keukenmessen en nep-explosievenriemen. Hij zag hoe ze op het altaar afkwamen terwijl ze onsamenhangende zinnen tegen de ongelovigen schreeuwden. Na de eerste steekwond – van de achtenveertig die zijn lichaam zouden doorboren – zocht de priester oogcontact met zijn moordenaar. Zijn laatste woorden waren aan hem gericht: „Ga weg, Satan.“ Een zin die, zoals Roseline uitlegt, „geen veroordeling was; mijn broer keek in de diepste kern van die jongeman, die pas negentien jaar oud was, in de hoop zijn ziel te bevrijden.“ Een half uur na de dood van pater Hamel lagen ook de jonge Adel Kermiche en zijn medeplichtige, Abdel Petitjean, dood op de stoep buiten de pastorie, gedood door speciale eenheden toen ze een onmogelijke ontsnapping probeerden.

Hoe meer ik over mijn zoon te weten kwam, hoe meer mijn hoofd vol vragen raakte: hoe kon hij in zo’n gruwel terechtkomen? Hoe kon hij een bejaarde man, een priester, aanvallen terwijl die de mis opdroeg? Ik was de moeder van een moordenaar geworden.

De redenen waarom Adel daar, in die kerk, terechtkwam, zijn zo ondoorgrondelijk dat ze elke sociologische verklaring tarten. “We hebben ons hele leven in Saint-Étienne gewoond”, zegt zijn moeder, Nassera (53), die op zes maanden oude leeftijd
vanuit Algerije naar Frankrijk kwam. Haar hele leven werkte ze als maatschappelijk werkster in wijken met een hoge immigrantenbevolking. Haar man, Rabah, is vrachtwagenchauffeur en samen hebben ze vijf kinderen waarvan Adel de jongste is. „In tegenstelling tot zijn broers en zussen had Adel het moeilijk op school. Bij hem werd ADHD vastgesteld en hij was het soort leerling waar leraren een hekel aan hadden omdat hij de les verstoorde. Dus na een reeks schorsingen en gesprekken met ons werd hij van school gestuurd. Vanaf dat moment ging het bergafwaarts”, zegt Nassera.

In 2015, op achttienjarige leeftijd, vluchtte Adel op een nacht naar Syrië om zich bij de jihadistische strijders aan te sluiten. „Hij werd tegengehouden in Turkije, waar hij werd gearresteerd en teruggestuurd naar Frankrijk.” Tijdens zijn tien maanden in de gevangenis raakte de radicalisering van de jongeman echt in een stroomversnelling. Toen hij op voorwaardelijke vrijlating naar huis terugkeerde herkenden zijn ouders hem niet meer: hij droeg alleen nog een qamais, de traditionele zwarte, knielange tuniek en had een baard laten groeien. „Hij zei dat we kafir waren, goddeloos. Het was onmogelijk geworden om met hem in discussie te gaan“, vervolgt Nassera. „Maar het meest verontrustende voor ons was dat hij Arabisch was gaan spreken. Vóór zijn gevangenschap kende hij geen enkel woord. Toen besefte ik pas hoezeer hij was geïndoctrineerd.“

Op de ochtend van 26 juli hoorde de moeder van Adel van de politieagent – die regelmatig contact had gehad met de familie sinds Adel onder huisarrest was geplaatst met een elektronische enkelband – dat hij bij de aanslag betrokken was. De agent zei dat ze thuis met haar kinderen en familieleden moest wachten op meer specifieke informatie. “Op tv zeiden ze dat de daders waren ‘geneutraliseerd’, en ik nam aan dat dat betekende dat ze waren gearresteerd. Pas in de middag vertelden ze ons dat Adel dood was. Meteen daarna werden we overspoeld door huiszoekingen en verhoren door de politie.” Die dag kon Nassera zich er niet toe brengen om te huilen. “Ik heb lange tijd niet kunnen huilen,” zegt de vrouw, die vandaag de dag om veiligheidsredenen haar gezicht niet in het openbaar kan laten zien. “Het was alsof ik Adel niet herkende in alle beelden die de media van hem lieten zien. Hoe meer ik over mijn zoon te weten kwam, hoe meer mijn hoofd vol vragen raakte: hoe kon hij in zo’n gruwel terechtkomen? Hoe kon hij een bejaarde man, een priester, aanvallen terwijl die de mis opdroeg? Ik was de moeder van een moordenaar geworden.”

Het was Roseline die als eerste contact zocht. Na de begrafenis van haar broer in de kathedraal van Rouen, die landelijk live werd uitgezonden, voelde de vrouw zich alsof ze op een kruispunt stond: „Vanaf het allereerste begin voelde ik, bij de gratie van God, geen haat. Er was te veel pijn om dat ook nog te voelen. Maar op mijn 76e zag ik geen andere uitweg dan mezelf te laten sterven. Vanuit de diepten van die afgrond eiste ik een antwoord van God, want leven was een bovenmenselijke opgave geworden. Ik moest een weg vooruit vinden. Ik liet gewoon een vraag die al lang in mij begraven lag naar de oppervlakte komen: Wie zou er in vredesnaam meer kunnen lijden dan ik?”

Bij de poort van Nassera’s huis vroeg Roseline hem: „Het komt toch allemaal goed, hè?” Hij pakte haar handen vast en samen baden ze het Weesgegroet. Zodra Nassera de deur opende, wierp Roseline zich in haar armen

Acht maanden na de aanslag besloot Roseline dus de moeder van de moordenaar van haar broer te ontmoeten. „Wat is er gruwelijker dan een kind te verliezen – en hem te verliezen omdat hij zelf iemand anders het leven heeft ontnomen?“ Hun eerste contact was een telefoongesprek. Nassera had op niets anders gewacht, ook al had ze nooit de moed gehad om zelf contact op te nemen. „Ik was nerveus en vol bewondering. Wat een moed moet die vrouw hebben gehad. En wat een geloof. Ik wilde dat ze ons allebei zou vergeven. Het was een obsessie geworden. Maar Roseline zei tegen me: ‘Ik ben hier niet om je te vergeven. Het is niet jouw schuld.’ Het was een verademing. Toen ik ophing was de pijn er nog steeds maar mijn perspectief was veranderd.”

Na dat korte telefoongesprek volgden er in de loop van de volgende maand nog vele. Toen vroeg Roseline of ze Nassera mocht komen bezoeken. Ze werd vergezeld door de aartsbisschop van Rouen, mgr. Dominique Lebrun. Bij de poort van Nassera’s huis vroeg Roseline hem: „Het komt toch allemaal goed, hè?“ Hij pakte haar handen vast en samen baden ze het Weesgegroet. Zodra Nassera de deur opende, wierp Roseline zich in haar armen. „Ik weet niet hoe lang we zo zonder woorden bij elkaar bleven staan. Ze vroeg me opnieuw om vergeving, maar ik stelde haar gerust: ‘Ik ben hier zodat we samen onze pijn kunnen proberen te verwerken, als zuster en als moeder’”, vertelt Roseline, die die dag haar twee orchideeën had meegenomen als symbool van hun band.

“De orchideeën hebben het niet overleefd, maar onze band is alleen maar sterker geworden. De vriendschap die ons vandaag verenigt is wat ons in staat stelt door te gaan.” Vanaf dat moment maakten de twee vrouwen er een gewoonte van om voortdurend contact te houden. En wanneer ze maar konden spraken ze af. Ze bezochten samen het huis van pater Hamel; voor Roseline was het essentieel om Nassera kennis te laten maken met de wereld van haar broer. Vervolgens gingen ze, gedreven door de wens om alles te delen, samen naar het graf van Adel. De locatie van zijn begraafplaats is op verzoek van de autoriteiten anoniem gehouden. Ze maakten de reis samen op Allerheiligen in 2018. Tijdens de rit spraken de twee vrouwen over hun kleinkinderen, hun werk en hun gezondheid. Toen ze bij het graf van Adel aankwamen stonden ze in stilte. Vervolgens las Roseline hardop een boodschap voor die ze voor hem had geschreven: „Adel, de ziel van mijn broer leidt me naar jou. Het is een bewijs van zijn vergeving. Een boze geest heeft je ziel gestolen. Ik smeek pater Hamel en de God van de Liefde om in jou de ziel van een gevoelige en liefhebbende zoon te herkennen.“ Ook Nassera wilde, samen met haar man, het graf van de priester bezoeken: „Ik heb hem gevraagd mijn zoon te vergeven. Diep in mijn hart weet ik dat hij dat heeft gedaan. Mijn ontmoeting met Roseline is daar een teken van.”

Tijdens schoolactiviteiten of in kranteninterviews wordt Nassera vaak gevraagd of ze nog steeds van haar zoon houdt: “Heeft een moeder een andere keuze?”

Sinds de relatie tussen deze twee vrouwen openbaar werd hebben ze te maken gehad met misverstanden en vooroordelen. Bij schoolactiviteiten of in kranteninterviews wordt Nassera vaak gevraagd of ze nog steeds van haar zoon houdt: „Heeft een moeder een andere keuze?“, vraagt ze op haar beurt. „Natuurlijk voel ik enorme woede omdat hij die vreselijke misdaad heeft beraamd. Maar als hij hier voor me zou staan zou ik hem omhelzen. Omdat hij mijn zoon is.“

In haar verslag van de gebeurtenissen van die ochtend legt Nassera de nadruk op één detail: voordat hij de kerk bestormde stopte Adel bij een sportwinkel. De verkoper vertelde later dat hij even bleef staan om de nieuwste Nike-schoenen te bekijken. „Probeerde hij tijd te winnen door die winkel binnen te gaan?” vraagt Nassera zich af. „Als iemand tegen hem had gezegd: ‘Stop, ga naar huis, er zal je niets overkomen’, dan was hij misschien teruggekeerd.”

Ook Roseline is niet gespaard gebleven van een zekere mate van kritiek. Sommigen vinden haar houding naïef. Maar ze heeft slechts een paar woorden nodig om elke onduidelijkheid weg te nemen: „Ik heb geen academische opleiding gevolgd. Ik heb altijd als kapster gewerkt. Toen Jacques stierf voelde ik me er niet op voorbereid. Maar ik besefte dat ik alleen verder kon leven als ik probeerde in zijn voetsporen te treden. Ik moest de vrede vinden die hij had. Dat is mijn enige missie.” De kern van dit schijnbaar onmogelijke verhaal wordt gevormd door niets anders dan de dringende behoefte van deze twee vrouwen om te leven – dezelfde behoefte waarvan pater Hamel getuigde toen hij ernaar streefde ‘de zijnen tot het einde toe lief te hebben’.