
Zomerlectuur. Onszelf herontdekken als kinderen om vrij te zijn
Rijk aan autobiografische details en een werk dat tot bloei kwam in zijn rijpere jaren: John Steinbecks East of Eden is een „uitdaging om de grenzen van de vrije wil te verkennen”. Een „groots avontuur van liefde, waaraan het soms ontbreekt”.John Steinbeck schreef vele grote romans, maar geen enkele lag hem zo na aan het hart als East of Eden (1952), misschien omdat dit werk het rijkst is aan autobiografische inspiratie, of misschien omdat het tot bloei kwam tijdens de volle rijpheid van de veelzijdige artistieke carrière van de Amerikaanse schrijver, die culmineerde in de toekenning van de Nobelprijs in 1962.
De titel is ontleend aan de Bijbel (Genesis 4:16): „Kaïn ging weg van de Heer en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.” De Bijbel vormt de typische Amerikaanse culturele achtergrond, en Steinbeck is hier in zijn gehele oeuvre een treffend voorbeeld van. In het geval van East of Eden dient de Bijbel echter als meer dan alleen een inspiratiebron voor het verhaal; de heilige tekst is gekozen om te putten uit de diepe bron van het Mysterie: waar staat de mens in de grote strijd tussen goed en kwaad? Kan hij zijn eigen lot kiezen, of zijn we bij de geboorte deterministisch verdeeld, met alle Abels aan de ene kant en de Kaïns aan de andere?
De auteur brengt zijn antwoord over via een lang en omvangrijk verhaal, dat zich echter in feite concentreert op slechts enkele personages: twee families, de Hamiltons en de Trasks, samen met de raadselachtige en perverse figuur van Cathy Ames, die haar kinderen en haar man – die waanzinnig verliefd op haar is – in de steek laat om prostituee te worden. Zij vormt een uitdaging om de grenzen van de vrije wil te testen, die inderdaad tot het kwaad kan leiden.
Er is geen sprake van lutherse predestinatie onder de personages in de roman; er zijn verschillende Kaïns die worstelen met het drama van hun eigen ondeugden, maar bijna al deze ondeugden zijn niets meer dan „pogingen om een kortere weg naar de liefde te vinden“. Steinbeck (in de rol van verteller) is er in feite van overtuigd dat „onder hun bovenste lagen van kwetsbaarheid mensen goed willen zijn en geliefd willen worden“.
De verleiding om jezelf als Kaïn te zien – verstoten, ongeliefd en daarom noodzakelijkerwijs schuldig – loert aan de poort van een ieders ziel; maar het is geen onontkoombaar lot, want, zoals de Chinese bediende Lee uitlegt (waardoor we de Bijbel herontdekken door de ogen van een buitenstaander), de passage in Genesis gebiedt noch belooft de mens dat hij zijn eigen zonde zal overwinnen, maar schenkt hem veeleer de mogelijkheid – dat wil zeggen, de vrijheid – om dat te doen: timshel, „Je kunt het overwinnen.“ Hoe? Eerst en vooral is daarvoor de liefde van een vader nodig. Dus hier is het dan: lees deze roman om een groot avontuur van liefde te ontdekken. Soms ontbreekt die liefde, maar toch blijft zij de enige manier om voorbij ons eigen kwaad te kijken.
* Schrijver en docent