John Everett Millais, “John Newman” (1881, detail)

Newman: Dat primaat van het hart dat hem verbindt met Augustinus, de Lubac en Giussani

Paus Leo XIV verhief op 1 november St. John Henry Newman tot Doctor Ecclesiae (Kerkleraar). Studentenpastor Michiel Peeters publiceerde eerder over Newmans opmerkelijke weg naar volledige gemeenschap met Rome. Uit IlSussidiario.net, 10-08-2025
Michiel Peeters *

Paus Leo XIV zal kardinaal John Henry Newman uitroepen tot kerkleraar. De grondbeginselen van het denken en de leer van een meester in het geloof.

Op 31 juli heeft de Heilige Stoel aangekondigd dat paus Leo XIV John Henry Newman (1801-1890) tot kerkleraar zal uitroepen. Een kerkleraar is een heilige wiens werken de katholieke leer op betrouwbare en orthodoxe wijze presenteren, en tegelijkertijd op een nieuwe en uitzonderlijke manier. Gelovigen worden uitgenodigd om van zo'n theoloog te leren wat de Kerk gelooft en beleeft.

Newman treedt zo toe tot de selecte groep – met hem zullen het er in totaal 38 zijn – waartoe Ambrosius, Augustinus, Athanasius, Chrysostomus, Leo de Grote, Thomas van Aquino, Hildegard van Bingen, Catharina van Siena en Thérèse van Lisieux behoren. De laatste die is toegevoegd is Irenaeus van Lyon, in 2022.

Dit eerste grote gebaar van Leo XIV herinnert aan het besluit van zijn voorganger Leo XIII om Newman in 1879 tot de eerste kardinaal van zijn pontificaat te benoemen, nadat de Engelse priester tijdens het vorige pontificaat veel wantrouwen en tegenstand had moeten doorstaan.

Toen Newman zich in 1845 tot het katholicisme bekeerde werd hij in Rome met alle eer ontvangen. Hij was het belangrijkste gezicht geweest van de Oxford-beweging, een poging om de Anglicaanse Kerk nieuw leven in te blazen door haar leer en leven te vernieuwen via een toenadering tot de Kerk van de Kerkvaders.

Henry Newman (Foto: ANSA) Paus Benedictus XVI viert de mis ter gelegenheid van de zaligverklaring van de eerbiedwaardige kardinaal John Henry Newman in Cofton Park in Rednal, Birmingham, op 19 september 2010. De apostolische reis van de paus naar het Verenigd Koninkrijk vond plaats ter gelegenheid van de zaligverklaring van kardinaal John Henry Newman en duurde van 16 tot 19 september 2010. ANSA/CLAUDIO ONORATI

Maar juist de patristische studie bracht Newman tot het besef dat het christelijke dogma op organische wijze was bewaard en ontwikkeld (“om zichzelf te blijven, moet men veranderen”, Verhandeling over de ontwikkeling van de christelijke leer) in de gemeenschap met de bisschop van Rome en niet in de gemeenschappen die zich daarvan hadden afgescheiden.

Deze ontdekking, die hem tot bekering bracht (wat voor Newman, in de parafrase van Giussani, “niets anders is dan de diepste en meest authentieke ontdekking van datgene waaraan men zich eerder hield”), kostte hem echter zijn ambten aan de Universiteit van Oxford, zijn reputatie en vele vrienden, op enkele na die hem volgden.

In Rome, waar hij oratorianer werd en tot katholiek priester werd gewijd, raakte hij negatief onder de indruk van de rigide scholastieke theologie en het klerikalisme. Dit versterkte zijn overtuiging dat zijn roeping in het onderwijs lag, namelijk het bevorderen dat de gedoopten bewuste en vrije christenen zouden worden, om de Kerk in nieuwe milieus als een aantrekkelijke realiteit aanwezig te maken.

Hij probeerde dit te doen als pastoor, predikant en publicist, en vanaf 1851 als stichter en eerste rector van de Katholieke Universiteit van Dublin (waaruit zijn belangrijke boek The Idea of a University voortkwam).

Maar de conflicten met de Ierse bisschoppen, die vooral een kweekvijver voor nieuwe priesters wilden, terwijl Newman een vrije academische instelling wenste waar ook leken in brede zin werden gevormd, brachten hem ertoe in 1858 ontslag te nemen.

In 1859 vroeg de bisschop van Birmingham hem om leiding te geven aan het tijdschrift Rambler, dat werd uitgegeven door enkele bekeerlingen uit Oxford en als te kritisch tegenover de hiërarchie werd beschouwd. Newman stemde toe en schreef er een artikel in getiteld Over het raadplegen van de gelovigen in leerstellige aangelegenheden.

Daarin legde hij uit dat de waarheden van het geloof levend zijn in de Kerk als geheel, niet alleen in de ecclesia docens. Sterker nog, historisch gezien is het (met het Arianisme) voorgekomen dat de meeste bisschoppen een ketterse leer beleden, terwijl het volk orthodox was. Om de katholieke leer te kunnen onderwijzen luistert de hiërarchie daarom graag naar wat leeft onder het christelijke volk (een gedachte die ook aanwezig is in de regel van Sint-Benedictus (hoofdstuk 3) en in de methode van de “school van de gemeenschap”).

Dit essay bleek “een daad van politieke zelfmoord” te zijn, waarna Newmans kerkelijke carrière zich nooit meer volledig herstelde (John Coulson).

Afgunstige mensen vonden er aanleiding in om hem bij de Heilige Stoel in diskrediet te brengen. Ze stuurden het, in een slordige Latijnse vertaling, naar Rome, vergezeld van een formele beschuldiging van ketterij door de bisschop van Newport. De paus sprak zijn ongenoegen en persoonlijk verdriet uit over wat Newman had beweerd. In één klap was zijn reputatie vernietigd; vanaf dat moment beschouwde Rome hem als “de gevaarlijkste man van Engeland”.

Newman vroeg om een lijst van de betwiste passages, een kopie van de gemaakte Latijnse vertaling en een lijst van de dogmatische stellingen waarvan men meende dat hij ze had geschonden. In ruil daarvoor beloofde hij deze stellingen te aanvaarden en te belijden, zijn betoog in strikte overeenstemming daarmee uit te leggen en aan te tonen dat ze volkomen in overeenstemming waren met de Engelse tekst.

Propaganda Fide verstrekte de gevraagde lijst, maar de kardinaal van Londen stuurde deze niet door naar Newman. Het is onduidelijk waarom Newman op dat moment niet in staat werd gesteld om een antwoord te geven. Hoe dan ook, deze gebeurtenis luidde het begin in van een periode van stilte voor Newman. Tot aan zijn Apologia pro vita sua (1864) publiceerde hij niets meer.

In 1875 keert hij nogmaals terug op de relatie tussen autoriteit en gelovigen. In de Brief aan de hertog van Norfolk legt hij uit dat de natuur en de openbaring voor elkaar bestemd zijn. “De paus, die voortkomt uit de Openbaring, heeft geen jurisdictie over de Natuur”. Het gezag van de Kerk prevaleert niet boven het geweten van de individuele gelovige, maar wekt het op, versterkt het, vervolledigt het, bevestigt het, straalt het uit, belichaamt het en interpreteert het.

Als de paus zich daarentegen tegen het persoonlijke geweten zou uitspreken, “zou hij een zelfmoorddaad begaan. Hij zou zichzelf de benen afhakken. Zowel zijn theoretische gezag als zijn feitelijke macht zijn gegrondvest op de wet van het geweten en op de heiligheid ervan”. Newman sprak over het geweten, maar het is niet moeilijk in te zien dat hetzelfde geldt voor wat de heilige Augustinus (Belijdenissen), Henri de Lubac (Het bovennatuurlijke) en Luigi Giussani (Het religieuze zintuig) het “hart” noemen: de “stem” in ons van Hem die ons heeft geschapen, door naar wie te luisteren we de aanwezigheid kunnen herkennen van datgene waaruit en waarvoor we zijn gemaakt.

Giussani – die al sinds de middelbare school veel van Newman hield en hem, naast Romano Guardini, beschouwde als een van onze twee ‘meest gevoelige partners’ – legde de kwestie als volgt uit: ‘Wat je hart in het begin heeft opgewekt, is een historisch feit dat je in een ander historisch feit heeft gebracht, namelijk het gezelschap met het gezag […]. Het aanvaarden van [de] vergelijking [daarmee] is het instrument, het is de natuurlijke weg naar ontwikkeling […]. Als deze vergelijking met het gezag je verstand niet vergroot, je niet ‘vestigt’, je hart niet stabieler maakt, dan is er gevaar, en dan moet je, zodra je kunt, teruggaan naar die mensen, naar die persoon, naar die menselijke context die je de eerste impuls, de eerste drang heeft gegeven”.

“Dat wil zeggen, we zijn verbonden met de gemeenschap en de autoriteit, we aanvaarden de gemeenschap en de autoriteit, maar vrijelijk. Vrijelijk is geen oppervlakkig of mechanisch woord: het geeft aan dat ik me aan de autoriteit houd voor zover die mij helpt. En als het me op dit moment niet helpt, dan wend ik me tot de mensen die me wel helpen. Maar de mensen die me helpen, helpen me pas echt als ze me weer in de vergelijking met de gemeenschap en met het gezag terugwerpen, als ze me niets laten overslaan, zodat ik misschien twee dagen later begrijp wat me twee dagen eerder had geschokt.”

Ook Giussani werd met wantrouwen bekeken, vanwege het geloof dat hij hechtte aan de menselijke ervaring; maar op een gegeven moment heeft ook de Kerk zijn “pedagogische en theologische genialiteit” erkend (Paus Franciscus, 15 oktober 2022).

Een ander relevant aspect van Newmans denken dat het verdient om verder te worden uitgediept is het concept van “persoonlijke invloed” (cf. zijn preek van 22 januari 1832).

De waarheid wordt niet verdedigd in debatten, noch verspreid via commissies en plannen en werken die van bovenaf worden georganiseerd, maar door de verandering die zij teweegbrengt in de persoon die haar erkent; een verandering die waarneembaar zal zijn voor degenen om hem heen. Zijn meest theoretische tekst, A Grammar Of Assent, heeft als motto een zin van de heilige Ambrosius: “Het behaagde God zijn volk te redden, niet door middel van dialectiek”. In zijn motto als kardinaal bezegelde hij deze overtuiging: Cor ad cor loquitur.

De Kerk is de gemeenschap die de waarheid wil, en daarom zal zij vroeg of laat al het ware erkennen dat de mens kan ontdekken. Aan het einde van zijn leven schreef Newman: “De tijd is mijn beste vriend en steun geweest: en ik vertrouw mij met liefde en veel berusting aan het oordeel van de toekomst toe”. De Kerk nodigt ons nu uit om in onze eigen ervaring te verifiëren wat Newman in de zijne heeft geleerd.

Dit artikel werd eerder (10 Augustus 2025) gepubliceerd op IlSussidiario.net. Vertaling uit het Italiaans is niet van de auteur.

* Michiel Peeters is studentenpastor aan de Tilburg University